Alamar en hiphop

Laten we naar Alamar gaan! Dat zei mijn moeder en wij gingen op pad om enkele familieleden te bezoeken die in dat zogenaamde “Siberië” woonden. We kwamen aan in een wijk met lelijke gebouwen, onafgewerkt en neergeplempt in een grasveld zonder enige orde of samenhang. Wij speelden met andere kinderen tussen die betonnen blokken en het hoge gras dat eromheen groeide. Het rook er naar zee en ook naar verveling. Het had de stad van de “nieuwe mens” moeten zijn, maar er bleef nauwelijks meer over dan een mislukt architectonisch experiment.

Alamar is, ondanks haar urbanistische tekortkomingen, een kweekvijver geweest voor een levendige en non-conformistische muziekstroming: de hiphop. In haar amfitheater werden enkele van de meest gedenkwaardige alternatieve concerten gegeven die het eiland ooit heft gezien. Harde liedjes, gemaakt met de taal van alledag en de po‘zie van de straat. Rapwedstrijden waarin geen wapens of vuistslagen voorkwamen, maar een uitwisseling van woorden en rijm. Hoe komt het dat die “laboratoriumstad” eindigde als een couveuse voor rebelse teksten? Wat gebeurde er met de overwinningshymnes dat ze het aflegden tegen de ondermijnende lyrics van de overlevingskunst?
Wat er gebeurde, was dat de werkelijkheid zich opdrong. Alamar werd van alle wijken in Havana het hardst getroffen door de economische teloorgang van de Speciale Periode. Ze zag duizenden inwoners vertrekken tijdens bootvluchtelingencrisis van 1994 en leed onder zeer lange periodes zonder elektriciteit vergezeld door overvallen en andere gewelddadigheden. De Russische technici vertrokken, krakers bezetten de leegstaande huizen en het merendeel van de Chileense ballingen, die daar woonden, keerden terug naar hun land.

Vervolgens kwamen de immigranten uit de oostelijke provincies, illegale bouwwerken schoten als paddenstoelen uit de grond en de politie labelde die slaapstad als “gevaarlijk zone”. Een “warenhuis van mensen”, bedacht door gedisciplineerde en gehoorzame mensen, toonde maar weer eens aan dat jongleren met sociale en constructieve alchemie zelden leidt tot de gewenste resultaten.

Te midden van het grijze cement, de kleine kamertjes en de verveling, heeft de hiphop zich ontwikkelt tot het geluid van het dagelijks leven. Alamar is erin geslaagd haar eigen ritme te vinden. Een cadans die in het hoofd beukt, zoals de golven beuken tegen de zeewering van die wijk. Zoals de heipalen op de grond dreunden op een fundering te leggen voor een schematische en onderdanige toekomst die nooit kwam.

Ras en identiteit

Achterzijde van de Cubaanse identiteitskaart, het vakje voor “huidskleur” omcirkeld

Hij is net geboren en binnen een paar uur zullen ze hem inschrijven met zijn zojuist gegeven naam. Er zullen een paar dagen voorbijgaan voordat de ouders zijn geboortebewijs ontvangen en vervolgens de zogenaamde “minderjarigenkaart”. Zonder identificatie heeft hij immers geen recht op producten van de gerantsoeneerde markt, kan hij niet ingeschreven worden op een school, werk krijgen, reizen per bus tussen provincies of zelfs zijn bezittingen in een bewaartas van een winkel deponeren. Iedere dag van zijn leven zal hij dat document, met aan de bovenzijde een unieke combinatie van 11 tekens, nodig hebben. Op het kleine kaartje zullen zijn tijdelijke en plaatselijke gegevens geregistreerd staan….. maar ook bepaalde fysieke details.

Op de achterzijde van de identiteitskaart is vaag een letter te zien, maar dat is wel de beginletter van de onze huidskleur. Die medeklinker brengt ons onder in het ene of het andere ras, deelt ons in in de ene of de andere groep. Terwijl regelmatig de roep klinkt om een einde te maken aan de discriminatie, houdt de Burgerlijke Stand van Cuba zelf de categorisatie naar ras van iedere burger in stand. Naast onze geboortedatum en het adres waarop we wonen wordt er ook vermeld of we blank, mesties dan wel neger zijn. De toewijzing van een B, M of N in een land met zo’n gemengde bevolking als Cuba is, hangt heel vaak af van de subjectieve beoordeling van een ambtenaar.

Te midden van zovele andere prioriteiten, van zoveel rechten die opgeëist moeten worden en zoveel onrecht dat moet worden tegengegaan, lijkt het een futiliteit om het schrappen van een letter in onze identiteitskaart te eisen. Echter, hoe klein ook aanwezig, aan de ernst ervan doet dat niets af. Vooral omdat er op het document zelf al een foto staat van de drager waarop men zijn fysieke trekken kan zien.

Geen enkele burger mag worden afgerekend op de kleur van zijn huid en mag ook niet ondergebracht worden in een categorie vanwege de hoeveelheid pigment die zijn opperhuid bevat. Een dergelijke bureaucratische achterlijkheid heeft meer weg van een gevangenisarchief dan van een Burgerlijke Stand. Het is geen kwestie van melanine, maar van principes.

Operatie Grote Schoonmaak

Straathoek Infanta en Vapor, acht uur ‘s avonds. Een steiger piept en kraakt onder het gewicht van zijn gebruikers. Het gebied is donker, maar desondanks zijn schilders bezig met hun kwasten vieze balkons, gevels en de grote pilaren van de avenue in de verf te zetten. Er is haast bij, de tweede internationale top van CELAC zal over een paar uur beginnen en alles moet klaar zijn voor de genodigden. De straten waar de presidentiele karavanen doorheen rijden zullen opgepoetst zijn, het asfalt hersteld, de gaten afgedicht en de armoede verborgen. Het echte Havana gaat vermomd onder een andere theaterversie, alsof de viezigheid – decennialang opgehoopt – is afgedekt onder een aantrekkelijk en tijdelijk tapijt.

Daarna is het de beurt aan de “menselijke schoonmaak”. De eerste tekenen van de op handen zijnde enscenering zijn merkbaar in de mobiele telefoons. Oproepen verdwijnen in het niets, sms’jes worden niet afgeleverd, de nerveuze in-gesprek-toon bij pogingen om  een activist te bellen. Dan begint de tweede fase, de fysieke. Op de hoeken van bepaalde straten staan zogenaamde echtparen die niet praten, mannen in ruitjesoverhemden die nerveus de verstopte audiofoon in hun oor aanraken, buren die de deur bewaken van degenen van wie ze gisteren nog wat zout kwamen vragen. De hele samenleving vult zich met gefluister, oplettende ogen en angst, een grote dosis angst. De stad is gespannen, rillend en alert: de top van CELAC is begonnen.

De laatste fase gaat gepaard met aanhoudingen, bedreigingen en huisarresten. Ondertussen toont de staatstelevisie glimlachende talking heads, rapportages over persconferenties en draaien hun camera’s richting tientallen vliegtuigtrappen. Er zijn rode lopers, schoongemaakte verdiepingen, kleine boompjes in potten in het Paleis van de Revolutie, geheven glazen, familiefoto’s, omgeleid verkeer, politieagenten om de honderd meter, lijfwachten, geaccrediteerde pers, openingstoespraken, gewaarschuwd publiek, volle cellen, vrienden op geheime locaties. Zelfs de olieraffinaderij Ñico López mag even geen vieze rook uit haar schoorsteen laten opstijgen. De gephotoshopte ansichtkaart ligt klaar… maar er zit geen leven in.

En daarna, daarna gebeurt alles. Elke president en elke Minister van Buitenlandse Zake keert terug naar zijn of haar eigen landen. Vocht en viezigheid dringen door de dunne laag verf op de gevels. De buren die meededen aan de campagne keren terug naar hun verveling en de functionarissen van Operatie Grote Schoonmaak worden gefêteerd met een verblijf in een all-in hotel. Het aangeplante groen droogt uit door een gebrek aan water. Alles keert terug naar het gebruikelijke of, beter gezegd, naar de absoluut onwerkelijke staat die het Cubaanse leven zo karakteriseert. Het onechte kodakmoment is voorbij.

Tot ziens, 2e CELAC-top.

Hoe heten ze?

Een menigte wachtte buiten die ene villa in de wijk Vedado waar een standbeeld van Abraham Lincoln in de tuin staat. Het taleninstituut opende zijn deuren voor nieuwe inschrijvingen en deze dagen werden de toelatingsexamens afgenomen. Nerveus wachtten wij met ‘n allen, denkend dat men ons zou evalueren aan de hand van onze uitspraak hier… onze woordenschat daar. Tot onze verrassing gingen de belangrijkste vragen niet over taal, maar hadden eerder een politieke lading.

Halverwege de ochtend waarschuwde ons een jongen die was afgewezen: “Ze vragen naar de naam van de eerste secretaris van de Communistische Partij, afdeling Havana”. We bleven verbouwereerd achter. Wie weet dat nou?

Enkele tientallen jaren geleden waren de leiders van de zogenoemde “politieke volksorganisaties” landelijk bekende figuren. Of het nou door de alom aanwezige staatsmedia kwam, hun jarenlange ambtstermijnen of gewoonweg door hun persoonlijkheid, die gezichten werden zelfs door kinderen op de lagere scholen makkelijk herkend. Tor vervelens toe hoorden wij over de secretaris van de Unie van Communistische Jongeren, werd in elk journaal verteld wie in een bepaalde provincie de leiding had over de Partij of propte men ons vol met verklaringen van ene of andere president van de Universitaire Studentenfederatie. Daar waren ze, duidelijk herkenbaar. Sommigen kregen zelfs bijnamen en er werden grappen gemaakt over hun dwangneuroses en inefficiëntie.

Vanochtend maakte de staatstelevisie melding van Carlos Rafael Miranda, landelijk coördinator van de Comités ter Bescherming van de Revolutie (CDR). En ik realiseerde mij hoezeer dergelijke functies zijn uitgekleed, waar ze vroeger nog zoveel macht uitstraalden, bepalend waren voor het lot van velen. Nu staan onbekende personen aan het hoofd van instituten die elke dag verder afzakken in desinteresse en vergetelheid. Bestuurders, van wie degenen die bestuurd worden niet met zekerheid de naam van kunnen noemen. Figuren die te laat kwamen voor de flitsende camera’s, te laat om nog genoemd te worden in de analyses van Cuba-deskundigen of – op zijn minst – het onderwerp te zijn van een of andere grap. Het zijn slechts schaduwen van een systeem waarin charisma steeds schaarser lijkt te worden.

Kapuśchiński en de muren

Dat huis daar heeft een erfafscheiding met scherpe ijzeren punten, die aan de overkant een enorm hekwerk met dubbel slot. Aan de poort van bepaalde kantoren wordt op aanplakbiljetten medegedeeld “Alleen toegang voor geautoriseerd personeel” en in de omgeving van de Raad va State staan de gewapende bewakers om de honderd meter opgesteld. Bescherming tegen de ander, het vermijden van contact, het vreemde buiten de deur houden, dat zijn de doelstellingen van deze fysieke en legale barricades. Identiek aan wat de grote Ryszard Kapuśchiński beschreef in zijn artikel ‘De honderd bloemen van leider Mao‘, tijdens zijn reis door China.

In deze levendige en scherpzinnige tekst schetst de Poolse journalist een beeld van de menselijke manie om obstakels op te werpen die ons moeten afschermen van alles dat anders is. Het perfecte voorbeeld daarvan is die slang van bakstenen, cement en andere materialen die het landschap van de Aziatische gigant doorkruist. Allemaal ter verdediging tegen – of ter isolatie van – degenen die zich aan de andere kant van de muur bevinden. In het geval van Cuba was het wat makkelijker, gelet op de zee die ons verwijderd houdt van de rest van de planeet. Een strook zout water die een buitengewoon gedienstige rol heeft vervuld in het politieke debat over de “belegerde plek” en de “vijand” aan de andere oever. Alles vanwege de angst, de pure angst, voor de diversiteit.

Kapuśchiński dacht na over de menselijke en materiele kosten van de bouw – in het echt of argumentatief – van al die muren. Eenzelfde oefening zouden we ook kunnen proberen in ons land. Hoeveel heeft ons isolement gekost? Welke hoeveelheid productiemiddelen is er gespendeerd aan loopgraven, tunnels voor de oorlog, agressieve diplomatieke campagnes, indoctrinatie in het onderwijs om het idee van een buitenlandse vijand te laten rijpen? Hoeveel levens zijn vernietigd, gemarginaliseerd of beëindigd als gevolg van de muren die zijn opgericht in het belang van slechts een enkeling? “De muur dient niet alleen ter bescherming… hij creëert ook de mogelijkheid om te controleren wat er zich daarbinnen afspeelt” – zo leest men in ‘Reizen met Herodotos’ – en het doet pijn dat het zeventig jaar na dato nog altijd de realiteit is op zoveel plaatsen.

Fanatisme en CELAC

Gisteren werd ik gebeld door een vriend. Hij was nerveus. Rondom zijn huis was de politie bezig met een grondige ‘schoonmaak’. Hij had goede redenen om zo van slag te zijn, aangezien deze oude man zonder pensioenuitkering leeft van zijn illegale satellietontvanger, waarmee verschillende families tegen betaling van beelden voorziet. Dus als de ordetroepen de regels streng gaan handhaven, moet mijn vriend de kabels doorsnijden, de schotel verstoppen en enige dagen afzien van inkomsten van zijn abonnees. Een regelrechte economische ramp voor hem. Steeds als hij hoort dat er een internationale top zal plaatsvinden, een ontmoeting met buitenlandse genodigden of een of ander staatsbezoek, vreest hij het einde van zijn handeltje. Hij weet dat elk van deze evenementen gepaard gaan met politionele razzia’s die fanatiek en zonder terughoudendheid worden uitgevoerd.

Toen Benedictus XVI het eiland bezocht, werden honderden zwervers, prostituees en dissidenten “uit de circulatie gehaald”. Telefonieconcern Cubacel droeg zijn steentje bij door bij honderden gebruikers de lijnen af te sluiten. Nu krijgen we te maken met de tweede CELAC (Top van de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caraïbische Staten, vert.) die eind januari plaats zal vinden in Havana. Nu al kun je op straat de vrachtwagens vol met potplanten zien rondrijden, planten die twee weken lang nauwelijks water zullen krijgen en die alle hoofdwegen zullen opsieren. In enkele centraal gelegen straten verrijzen de steigers, waarop schilders met dikke kwasten de gescheurde en bevlekte muren een kleurtje geven. Ook de stoplichten langs de route, waarlangs de genodigden zullen komen, worden bijgewerkt en zelfs de afgebrokkelde advertentieborden worden door andere vervangen.

Men heeft het clandestiene en officieel “onpresenteerbare” Havana een waarschuwing gegeven om zich stil, heel stil, te houden. De daklozen worden opgesloten totdat de Top weer voorbij is, de pooiers op de vingers getikt dat ze hun meisjes en jongens in het gareel houden, terwijl politieagenten de huizen van de oppositie doorzoeken. De zwarte markt ligt ook onder vuur. “Doe zachtjes, heel zachtjes”, herhalen de agenten op dreigende toon, zonder dit bericht ooit zwart op wit op papier te zetten. Vandaar dat mijn vriend vanochtend is begonnen om zijn apparatuur te ontkoppelen en mij opnieuw heeft gebeld om mij op het hart te drukken om op 28 en 29 januari vooral niet langs te komen. “Vergeet ’t maar! Ik heb geen enkele trek om in een cel te slapen”, zei hij me, voordat hij ophing om voorzorgsmaatregelen te treffen om zijn schotelantenne te bewaken.

Een jaar van migratiehervormingen…wat is er veranderd?

Terminal 3 van het vliegveld José Martí in Havana

Deze keer mocht zij niet de terminal binnen om hem te zien vertrekken. Een aanplakbiljet waarschuwde dat Aeropuerto José Martí alleen toegankelijk is voor reizigers, niet voor  metgezellen. Vandaar dat ze afscheid hebben genomen voor de ingang. Het is haar tweede zoon die vertrekt sinds een jaar geleden de migratiehervormingen werden geïmplementeerd. Voor haar, zoals voor veel Cubanen, is het een jaar van afscheid nemen geweest.

In de eerste maanden van 2013 zijn zo’n 184.787 personen buiten Cuba gereisd. Velen van hen deden dat voor de allereerste keer. Hoewel de officiële verklaringen proberen te ontkrachten dat het land op de vlucht is geslagen, zijn meer dan de helft van die reizigers niet meer teruggekeerd. Het is ook niet nodig een cijfermatige onderbouwing te hebben. Ieder van ons hoeft slechts om zich heen te kijken om de afwezigen te tellen.

Vanuit een persoonlijk of familiair standpunt, kan elke reis een leven transformeren. Of het nu gaat om een definitieve ontsnapping uit een land waar men niet wilt wonen of het ontdekken wat er aan de andere kant te zien is, het terugzien van familieleden of simpelweg afstand nemen van de dagelijkse routine. De vraag is of de optelsom van al die individuele metamorfosen ervoor kunnen zorgen dat een land verandert. Het antwoord – zoals zo vaak op deze wereld – kan een “ja” zijn en misschien een “nee”.

In het geval van Cuba hebben de vertrekken deels gefunctioneerd als ontsnapping aan de ontevredenheid. Het meest opstandige deel van de samenleving heeft de koffers gepakt om korter of langer weg te blijven. De regering juichte dit toe en profiteerde bovendien van de materiële privileges van deze reizen, die leidden tot meer geldoverboekingen uit het buitenland, meer geïmporteerde consumentenartikelen en meer ontvangen douaneaccijnzen. De schoorsteenloze industrie van migratie.

Voor de activisten van de burgerbeweging die wereldtournees wisten op te zetten was de mogelijkheid buitengewoon. Het laten horen van een eigen stemgeluid in gelegenheden waar men daarvoor slechts moest luisteren naar de officiële staatsopvattingen, dat was al een belangrijke stap vooruit. Men heeft kunnen snuffelen aan de onderwerpen die de huidige wereld bezighoudt waardoor men de eigen standpunten heeft kunnen moderniseren, beter zijn rol in de gemeenschap heeft kunnen definiëren en zich heeft kunnen onderdompelen in trends die over alle landsgrenzen gaan. Het resultaat is niet magisch of onmiddellijk meetbaar, maar zeker positief.

Gedurende al deze tijd mochten de ex-gedetineerden van de Zwarte Lente niet het land uit. Ook het aantal bannelingen dat geen toestemming kreeg om terug te keren nar Cuba ligt aan de hoge kant. Na het groots aangekondigde Wetsvoorstel 302, hebben deze drama’s helaas onvoldoende weerklank gevonden in de media of in de supranationale instanties.

Een groot deel van de bevolking kan zich nog altijd geen paspoort veroorloven. Voor al deze Cubanen is de hervorming iets dat zich afspeelde in de levens van anderen, op televisieschermen of in tijdschriften. Het toeval wil dat dit nu juist dezelfde bevolkingsgroep is die geen mobiel telefoniecontract kan afsluiten, een hotel kan betalen of zich in auto- en vastgoedmarkt kan storten. Het zijn de Cubanen zonder converteerbare peso’s.

2013 was dus een mengelmoes van koffers, vaarwels, terugkomsten, gewiste telefoonnummers in de contactenlijst, verzuchtingen, lange wachtrijen buiten de consulaten, reünies, huisverkopen om de vliegtickets te betalen … Een jaar om te vertrekken en een jaar om achter te blijven.