Wat gaan we doen met de hoop?

Een "Esparanza" (hoop) sprinkhaan (Sylvia Corbelle)

Een “Esparanza” (hoop) sprinkhaan (Sylvia Corbelle)

Iedere frustratie is een dochter van een overmaat aan verwachtingen”, deze bezorgdheid deelde ik met de Amerikaanse congresleden die afgelopen januari Cuba bezochten.
De zin was bedoeld om hen opmerkzaam te maken op de stormvloed van illusies die sedert 17 december de bevolking overspoelt. De aankondiging van het herstel van de betrekkingen tussen Cuba en de VS heeft in dit land de wederopstanding veroorzaakt van een gevoel dat er al decennialang niet meer was: hoop.

De verwachtingen die zijn gewekt zijn echter dermate hoog en moeilijk te vervullen dat op korte termijn velen zich bedrogen zullen gaan voelen. Dat de werkelijkheid erin slaagt te voldoen aan zulke bovenmaatse fantasieën over verandering, dat is onmogelijk. De mate van verval waarin Cuba verkeert vraagt enorme bedragen en dringende veranderingen om dat te overwinnen. De tijd dringt, maar de Cubaanse regering heeft nog geen werkelijk politieke wil getoond om het nieuwe scenario aan een breed spectrum van de Cubaanse samenleving ten goede te laten komen.

Na 17D heeft een ieder de aspiraties geleid in de richting van zijn of haar belangen en noden. Een voormalig treinmachinist, die het spoor waarover hij altijd met zoveel trots sprak ontmanteld zag worden, verzekert nu “je zult zien…..we zullen zelfs een hogesnelheidstrein krijgen”. Als je hem vraagt waar hij zoveel overtuiging vandaan haalt, stelt hij met zekerheid dat “als de yuma’s [de Amerikanen, vert.] beginnen te komen, moet het transport worden verbeterd, dus zullen er vast en zeker veel investeringen gedaan worden om de spoorlijnen te verbeteren en om moderne wagons te kopen”. Zijn dromen nemen de vorm aan van een slang van ijzer, fonkelend en snel, die het eiland doorkruist.
Weer anderen hebben illusies met de lichtheid van een kilobyte. Een jongeman van twintig, die het internet alleen kent van die enkele uren verbinding in de langzame en dure surfzalen van de nationale Nauta-server, verzekert dat we vóór het einde van het jaar dataservice op onze mobiele telefoons zullen hebben. Zijn zekerheid stoelt op geen enkele betrouwbare informatie waar hij toegang tot heeft gehad, maar, zo legt hij uit, omdat “Obama al gezegd heeft dat telecombedrijven mogen gaan onderhandelen met Cuba, zodat alles wat er nu nog ontbreekt om de hele dag te Facebooken en Skypen zo gefikst is, een fluitje van een cent“.

De grote nationale obsessie die voedsel is heeft ook een plaats gekregen in de dromerijen van de laatste weken. Een huisvrouw die van zichzelf zegt dat ze “er tabak van heeft om altijd hetzelfde te koken bij gebrek aan iets anders” heeft haar dromen gericht op de komst van goederen uit het noorden. “Er zullen weer producten komen die we lang niet hebben gezien en de winkels zullen hun vriezers niet leeg hebben staan zoals nu”. Haar verwachtingen zijn direct en duidelijk, ze hebben de verdwenen smaak van rundvlees, de textuur van olie en de geur van een gefruit uitje.

De kleine privéondernemers blijven niet achter. Voor een eigenaar van een luxueuze ‘paladar’ [thuisrestaurant, vert.] in Vedado hebben de verwachtingen de contouren van een ferry die Havana verbindt met Florida. “Die gaat er snel komen en dan zullen we in het groot kunnen importeren, we zullen auto’s en verse levensmiddelen kunnen invoeren” legt hij uit met een overtuiging die beklemmend overkomt en geen tegenspraak duldt. Hij geeft de indruk dat een complete eetkamer met glazen, flessen wijn en lampen die zacht licht uitstralen het water zal oversteken om bij de nieuwe ruimte die hij aan het bouwen is naast zijn restaurant aan te leggen.

Terwijl de verwachtingen groeien als een ballon die op punt van knappen staat, dragen anderen er aan bij met plannen op artistiek en creatief niveau. Een bevriende privéproducer uit de filmindustrie gelooft dat binnenkort “Hollywood hier zal gaan filmen en dat het cinematografische talent van Cuba eindelijk middelen zal hebben om grote producties te maken”. Voor deze artiest van het celluloid is het “alleen nog wachten op het startsein dat privéproducers toestemming geeft om investeerders uit de VS te hebben”.

Onder de dissidenten in de burgermaatschappij haast menigeen zich om groepen of partijen te laten legaliseren, want je kunt nooit weten. Van allen die verwachtingen koesteren zijn zij de meest behoedzame, want ze weten dat de kraan van de politieke vrijheden als laatste zal opengaan… als die al opengaat. Ze plannen hun eigen transitie: van “een illegale, clandestiene en heldhaftige” fase naar een stadium van “legale, publieke en doordachte” oppositie. En laten we ook niet vergeten dat de illusies de Cubaanse academische wereld, de studiecentra en andere overheidsinstituten hebben bereikt. Daar heb je mensen die, zodra het eenpartijstelsel een slechte herinnering uit het verleden zal zijn, hun vroegere idee om in de politieke arena te springen aan het afstoffen zijn.

Al die verwachtingen, geboren op de dag van de heilige Lazarus en gevoed door het bezoek aan Cuba van Amerikaanse congresleden en onderhandelaars, vormen nu een tweezijdig zwaard voor de regering op het Eiland. Aan de ene kant maakt het bestaan van dergelijke illusies het mogelijk om tijd te winnen en om de stip op de horizon te plaatsen aan het einde van een lang proces van gesprekken tussen beide overheden hetgeen jaren kan duren. Maar de ontgoocheling die zal voortvloeien uit het niet vervullen van dergelijke dromen of het uitstel ervan zal zich direct richten naar het Plein van de Revolutie.

En het zal niet Obama zijn waartegen de woede zich zal richten, maar Raúl Castro. Dat weet hij. In de afgelopen weken hebben zijn woordvoerders dan ook niet nagelaten om de verwachtingen die door de straten van het hele land rennen, bij te stellen. Dat alles min of meer hetzelfde zal blijven en dat men zich geen al te hoge verwachtingen moet maken, dat is de boodschap die men op voorhand geeft. Maar niks is moeilijker dan dromen de kop indrukken. De zware symboliek die rust op het begin van de “ontdooiing” tussen David en Goliath zal niet te niet worden gedaan door een oproep tot kalmte noch door verhitte discussies die wijzen in de richting van het traineren van de onderhandelingen.

Als de maanden voorbijgaan en “de hogesnelheidstrein” niet komt, als internet nog steeds iets onmogelijks blijkt, als de vriezers in de winkels even leeg blijven als nu, als de douanevoorschriften blijven verhinderen dat er door privépersonen handel geïmporteerd kan worden, als het ICAIC (Cubaans Instituut voor Filmkunst en-Industrie, vert.) het monopolie houdt op de productie van films en als lid zijn van een oppositiepartij nog steeds repressie door de overheid en ideologische stigmatisering inhoudt……… als de luchtbel van dromen knapt en de overmaat aan verwachtingen collectieve frustratie opwekt, wat zal er dan gaan gebeuren? Wellicht zal vanaf dat moment de energie die nodig is om verandering een zetje te geven gaan stromen.

Van gefluister naar de schreeuw van Tatlin

Als deelnemers van die eerste editie van “Susurro de Tatlin” [Gefluister van Tatlin, vert.] in Havana zullen we nooit die minuut van vrijheid voor de microfoon vergeten die ons jaren van officiële belediging zou kosten. Het voorstel om de performance opnieuw uit te voeren, maar deze keer op het Plein van de Revolutie, bracht ons onveranderlijk de herinneringen aan die nacht in het centrum Wifredo Lam en de hoop dat deze keer de microfoons open zouden staan voor een groter aantal Cubanen. Ik geef toe dat ik erover dacht waar het beste het podium kon worden opgericht, waar de in het groen gestoken acteurs zouden staan die de toegewezen minuut van iedere toespraak zouden handhaven en hoe de duif te zien zou zijn, met zijn gefladder op de schouder van iedere spreker.

Op de vooravond van 30 december kon ik met Tania Bruguera spreken, die schor en uitgeput al voelde dat de kooi zich om haar heen sloot. Alle signalen wezen erop dat men haar niet zou toestaan het Plein te bereiken en dat de politieke politie een golf van repressie zou loslaten op degenen die haar wilden vergezellen. Ik waagde het haar drie mogelijke scenario’s te beschrijven waaraan ze het hoofd zou bieden: dat men haar niet het huis uit liet gaan of haar zou arresteren; dat men haar gewoon liet gaan naar de plaats die zou zijn ingenomen door een plotseling volksfeest met goedkoop bier, figuranten en muziek op vol volume; dat ze haar Susurro de Tatlin lieten uitvoeren, maar de microfoontijd zouden vullen met stemmen die officiële leuzen schreeuwden. Er was geen manier om aan die variabelen één toe te voegen die uitkwam op het koor van de pluraliteit en de tolerantie naar elkaar luisterend voor het standbeeld van José Martí.

In dat gesprek zei ik haar dat “aangezien de performance gemaakt is, de artistieke actie volbracht is“, omdat met haar voorstel Bruguera het netwerk van censuur, culturele lafheid en repressie had onthuld dat het Cubaanse leven stilzet. Vele van haar vrienden artiesten hadden geweigerd om haar te begeleiden, enkele bekenden hadden haar opgeroepen om het op te geven en om Susurro de Tatlin te verhuizen naar het interieur van een instituut en anderen, meer gecompromitteerd, waarschuwden haar dat er een plan bestond om “haar te ontvoeren van het Plein“. Vanaf de vroege ochtend begon de macabere dans van de arrestaties en de intimidatie.

Dames in het Wit, activisten, journalisten en dissidenten werden gevangengezet of verhinderd hun huizen te verlaten. De mobiele telefoons van vele communicators afgesloten, de berichten met alleen tekst geannuleerd en de toegang tot de e-mail Nauta beperkt. In een fluistering, kwam de informatie naar buiten over wat er gebeurde. Het team van 14ymedio onderging met hardheid de klap, met twee journalisten en een medewerker gearresteerd en onze redactie uren onder bewaking. De lijst van gevangenen is groeiende gelijkopgaand met de communicatie die weer begint te functioneren en we bellen elkaar, om ons op de hoogte te stellen.

Maar het gefluister transformeerde zich in de schreeuw van Tatlin. Een schreeuw die men nu hoort over de telefoonlijnen, op twitter, buiten de politie-eenheden, waar de familieleden reclameren de laatste dag van het jaar door te brengen samen met hun naasten. Het heeft geen microfoon, noch witte duif, ook is het geen minuut van vrijheid, maar lange uren van lijden en onbehagen.

Tania, tussen al die scenario’s die we projecteerden, ontbrak deze. Jij in de gevangenis en vanuit daar, gekleed in het grijze uniform van de gevangene, deed je de meest overtuigende en onvergetelijke van je artistieke acties. Het Plein is vandaag in een ieder van ons.

Is D-day aangebroken?

Barrack Obama in gesprek met Raúl Castro

Barrack Obama in gesprek met Raúl Castro

Vandaag is een van die dagen geweest waarover wij ons al op duizenden manieren fantaseerden, maar nooit op de manier zoals die uiteindelijk verliep. Je bereidt je voor op een datum waarop je het einde kunt vieren, de vrienden die terugkeren kunt omhelzen, met een vlaggetje wapperen midden op straat, maar D-day laat op zich wachten. In plaats daarvan komen de gebeurtenissen gefragmenteerd tot ons, een stapje voorwaarts hier, een verlies daar. Zonder kreten als ‘Viva Cuba Libre!‘ en ook geen kurken van de flessen. Dit keerpunt dat we voor altijd op onze kalender zouden aantekenen, moffelt het leven voor ons weg.

De aankondiging door de regeringen van Cuba en de VS van een herstel van de diplomatieke betrekkingen verrast ons te midden van signalen die in de tegengestelde richting wezen en onze afnemende hoop. Raúl Castro had net de derde ronde van de dialoog met de Europese Unie, die gepland stond voor volgende maand, opgeschort en op 10 december j.l. had de repressie zich uitgeleefd op de activisten, zoals op iedere Internationale Dag van de Mensenrechten.

De eerste verrassing was dat het Plein van de Revolutie al 18 maanden in gesprek bleek te zijn met het Witte Huis, terwijl ondertussen de krachtpatserij van de overheid de schroeven van de ideologie aandraaide door op te roepen tot extra waakzaamheid jegens de vijand. Een duidelijk bewijs dat al die speeches van onverzoenlijkheid alleen voor de bühne waren. Terwijl men de burgers van het Eiland deed geloven dat elke stap over de drempel van het Amerikaanse Oficina de Intereses in Havana aangemerkt zou worden als verraad aan het vaderland, zaten de bestuurders in hun olijfgroene pakken al akkoorden te smeden met Uncle Sam. Hoe dubbelhartig die politiek!

Anderzijds zat er zowel in de verklaringen van Obama als in die van Castro een zweem van capitulatie. De Amerikaanse president somde een lange lijst van aanpassingsmaatregelen op om beide naties nader tot elkaar te brengen alvorens de gewenste en zozeer vereiste stappen naar democratie kunnen worden gezet en er openheid in de politiek van ons land komt. De vraag van wat er het eerste was, het gebaar van Havana of de buigzaamheid van Washington is net beantwoord. Echter, het vijgenblad van het Amerikaanse embargo is er nog zodat niemand kan zeggen dat de berusting daarin compleet is geweest.

Raúl Castro van zijn kant beperkte zich tot het aankondigen van de nieuwe maatregelen van Obama en hij refereerde aan het uitwisselen van Alan Gross en andere politieke gevangenen waaraan de Amerikaanse regering belang hecht. Maar in zijn toespraak voor de camera’s van de nationale tv noemde hij geen enkel akkoord of compromis van Cubaanse zijde alsof er geen herstel van de diplomatieke betrekkingen bestond. De agenda van de overkant van de Straat van Florida kenden we in detail, maar de onze bleef, zoals zo vaak, verborgen en geheim.

Hoe dan ook, ondanks de afwezigheid van publieke compromissen van Cubaanse zijde, betekende de gebeurtenis van vandaag een politieke nederlaag. Onder het leiderschap van Fidel Castro zou in de verste verte een akkoord van deze aard niet mogelijk zijn geweest. Want één van de belangrijkste pijlers waarop het Cubaanse systeem leunt, is het bestaan van een permanente rivaal. David kan niet leven zonder Goliath en het ideologisch apparaat heeft zich veel te lang veilig gewaand bij deze tegenstelling.
Zal ik naar toespraken luisteren of zal ik vis gaan kopen?

Op de Carlos III Markt in het centrum ontdekten de klanten verrast dat de grote televisieschermen midden op de dag geen voetbal of videoclips uitzonden, maar een toespraak van Raúl Castro en daarna die van Obama via het kanaal van TeleSur. De eerste toespraak liet de mensen stomverbaasd staan, maar de tweede ging gepaard met handkusjes naar het gezicht van de president van de VS, zeker toen hij de versoepelingen noemde voor het zenden van geld naar Cuba en het delicate thema van de communicatie. De kreet “I love……..” werd hier en daar op een straathoek gehoord.

Er moet ook gezegd worden dat het nieuws sterke concurrentie had, want na jaren van afwezigheid, was er weer vis te krijgen op de gerantsoeneerde markt. Desondanks was bijna iedereen ´s middag op de hoogte en de gedeelde gevoelens waren die van vreugde, opluchting en hoop.

Dit is echter nog maar het begin. Wat ontbreekt is een publiek tijdschema waarmee men de Cubaanse regering kan aanzetten tot het maken van een serie gebaren ten gunste van de democratisering en het respecteren van verscheidenheid. We moeten gebruik maken van de synergie van beide aankondigingen om een publieke belofte te ontlokken, die op zijn minst zou moeten inhouden vier punten van eenstemmigheid die de burgermaatschappij gedurende de laatste maanden heeft ontwikkeld: de bevrijding van alle politieke en gewetensbezwaarde gevangenen; een eind aan politieke onderdrukking; de ratificatie van de convenanten Civiele, Politieke, Economische, Sociale en Culturele Rechten met de daaruit voortvloeiende aanpassing van interne wetten en de erkenning van de Cubaanse burgermaatschappij in en buiten het Eiland. Met deze compromissen zou het ontmantelen van het totalitarisme een aanvang nemen.

Zolang er geen stappen van deze omvang worden gezet, zullen velen van ons blijven denken dat de dag waarnaar we zo verlangen nog niet aanstaande is. Dus laat die vlaggetjes maar in de kast, laat de kurken nog maar in de flessen, het beste is te blijven aandringen zodat D-day uiteindelijk toch aanbreekt.

Parade en (mensen)rechten

derechos_humanos-Damas_de_Blanco_CYMIMA20141210_0017_16

De optocht stond al dagen, maanden gepland. De achtergrondmuziek zou bestaan uit slogans en gespeelde vrolijkheid. De gekozen locatie: dezelfde straathoek in Havana waar de ‘Damas de Blanco’ (de Witte Vrouwen, vert.) een bijeenkomst hadden gepland om de Internationale Dag van de Mensenrechten te gedenken. Ondertussen zou het “corps de ballet” worden opgevuld door arbeiders en scholieren – van hun werkplekken en uit hun scholen gehaald – om de plaats te bezetten die gekozen was door de actievoerende dames. De eettentjes mochten niet ontbreken en vanuit sommige provincieplaatsen zouden grote vrachtwagens bier aanvoeren om uit te delen, want in ons geval spreek je niet van “brood en spelen”, maar van alcohol en repressie.

Toen brak het uur van de carnavalsparade aan. Rondom ijssalon Coppelia trok een ongewone menigte mensen, gekleed in burger, de aandacht van sommige nietsvermoedende voorbijgangers die niet wisten of de rij er stond voor een uitverkocht product of dat het ging om gepassioneerde filmliefhebbers die stonden te wachten totdat bioscoop Yara open zou gaan. Er was echter iets dat hen verraadde. Ze keken heen en weer, zoals iemand doet die op een prooi wacht, ze gingen gekleed in kleren die wij allemaal herkennen als de uitdossing van de Staatsveiligheidsdienst als ze undercover gaan en ze waren net even te dik in vergelijking met de gemiddelde Cubaan. Ze dansten niet zoals op een carnaval, maar ze bewogen zich in de richting van de vrouwen die in het wit gekleed gingen en ze probeerden met hun lichamen te camoufleren dat de dames met harde hand werden afgevoerd in een politieauto. Een macaber ballet beeldde zo een choreografie van terechtwijzing uit.

En toen klonk de trompet, pardon…… de claxon van een auto. Een kleine dame was erin geslaagd de linkerboezem van het hart van de wijk Vedado te bereiken. Tientallen gezichten keerden zich om en praatten in een microfoontje dat aan hun oor hing. Een agent, al jaren infiltrant in de rijen van de onafhankelijke journalistiek en allang ontmaskerd, leidde het orkest. Uit de luidsprekers liet men van tevoren opgenomen zinnen brullen, opdat er maar geen verrassingen of spontaniteit zouden plaatsvinden. De vrouw verdween binnen een seconde. De kinderen dronken een drankje en Havana beleefde een van de koudste dagen van het jaar. Het spektakel ging nog uren door.

Hoe vaak was ik als klein meisje onderdeel van een carnaval der onderdrukking zonder het te weten? Welke onschuldige feestjes waaraan ik deelnam waren in werkelijkheid een dekmantel van de verschrikking? Zouden die dansfeestjes en festivals op straat ook een politionele operatie zijn geweest? Na dit gebeuren gaat het me veel moeite kosten om weer te genieten van een parade.

Tekort aan tranen in Mexico

Protestmars in Mexico-Stad

Protestmars in Mexico-Stad

Toen ik Mexico voor de eerste keer bezocht was ik zeer onder de indruk van het geweldige potentieel en de enorme problemen van het land. Ik werd geraakt door een cultuur waarvan de kalender verloren gegaan is in de tijd vooral als we haar vergelijken met de historie van een Cuba dat nog volwassen moet worden. Wat me echter het meest schokte waren de steeds herhaalde waarschuwingen en het advies dat vrienden en bekenden me gaven aangaande de veiligheid: in iedere straat wachten gevaren.

De meest aangrijpende getuigenis tijdens dat bezoek hoorde ik uit de mond van Judith Torrea, een Spaanse journaliste met standplaats Ciudad Juárez, die verhalen verzamelde van moeders wie opgroeiende dochters nooit meer terug waren gekomen van hun werk of studiecentrum.

Het deed me pijn vast te stellen dat de gewelddadige dood iets alledaags was geworden in verschillende streken van dat prachtige land. La Catrina -Mexicaans symbool van de dood- was opgehouden met glimlachen en haar lege oogkassen leken een trieste waarschuwing voor wat Mexico nog te wachten stond. In een maatschappij waar corruptie, juridische inefficiëntie en de gewapende arm van de drugshandel sedert lange tijd strijden om respect, heeft de verdwijning van de 43 studenten uit Ayotzinapa het al gevoelde afgrijzen nog groter gemaakt. Alsof je die bevolking, al verscheurd door verlies, weer nieuwe wonden toebrengt.

Ieder van die verdwenen jongeren was ongeveer van de leeftijd van mijn zoon Teo, sommige foto’s doen me zelfs denken aan zijn lichtbruine gezicht en zijn scheefstaande ogen. Hij zou één van die studenten kunnen zijn die op een dag van school vertrok en besloot te protesteren tegen de status quo. Alles wijst erop dat de lokale politieke machthebbers samen met de drugskartels op een gewelddadige manier een einde gemaakt hebben aan het leven van mensen die het beste van hun bestaan nog voor zich hadden. De laatste weken zijn de familieleden van tranen naar hoop gegaan en weer terug naar pijn. Totdat het trieste einde bevestigd wordt wil niemand eraan, maar de aanwijzingen gaan in de richting van het slechtste scenario.

Mexico krijgt een tekort aan tranen. Aan Latijns-Amerika niet alleen de taak om deze zeer geliefde natie te begeleiden op haar zoektocht naar antwoorden op de verdwijning van de studenten, maar ook om een oplossing te zoeken voor de ernstige problemen, sociaal en institutioneel, die dit hebben veroorzaakt. Van onze kant is het nu onze beurt om solidair te zijn met haar burgers en te delen in verdriet en woede. Laat niemand zijn kind in de ogen kijken zonder te denken aan hen die er niet meer zijn.

Havana, wat doe je me toch zeer!

Ruïne in Havana (Foto Silvia Corbelle)

Ruïne in Havana (Foto Silvia Corbelle)

Uit Havana komen is niet dat je in een bepaald gebied bent geboren, het betekent dat je dat gebied met je meedraagt, dat je er niet van af kunt. Ik was 7 jaar toen ik voor het eerst besefte dat ik bij deze stad hoorde. Ik was in een klein dorp in Villa Clara en probeerde een tak met een paar guaves eraan te pakken toen een troep kleine kinderen uit die plaats mijn zusje en mij omringden. “Ze komen uit Havana! Ze komen uit Havana!” gilden ze. Op dat moment begrepen we niets van zoveel kabaal, maar mettertijd beseften we dat ons een triest voorrecht ten deel was gevallen. Geboren zijn in een stad in verval, in deze stad, waarvan de grootste aantrekkingskracht is wat ze zou kunnen zijn en niet wat ze is.
Ik ben geheel en al een stadse. Ik ben opgegroeid in een deel van de wijk Cayo Hueso, waarin de dichtstbijzijnde bomen op meer dan 500 meter ver stonden. Ik voel me dochter van het asfalt, van de stank van kerosine, van de druppende waslijnen op de balkons en afvoerpijpen die van tijd tot tijd overlopen. Dit is nooit een makkelijke stad geweest. Zelfs niet op de toeristische ansichtkaarten met hun geretoucheerde kleuren is een Havana te zien dat er rustig en begrijpelijk uitziet.

Soms wil ik er nu niet meer doorheen wandelen want het doet me zeer. Ik loop de Belascoaín straat op en heb de zee met dat briesje dat ik zo goed ken in de rug. Ik kom dan op de kruising met de Calle Reina. Daar staat een kerk in Gotische stijl waarvan ik als klein meisje dacht dat hij reikte tot in de wolken. Daar zag ik voor het eerst een kerstboom toen ik zeventien was. Ik loop verder onder bogen door, een sprongetje links, een sprongetje rechts. Vanaf een paar trappen stroomt water naar beneden en een dame probeert me een paar cremitas de leche [Cubaans toetje van melk en suiker, vert.] die dezelfde kleur hebben als de straat te verkopen.

Ik zie het stoplicht van Galiano al, maar mijn pas wordt langzamer omdat er veel volk loopt. Een politieagent komt de hoek om en sommige mensen verbergen zich achter deuren of gaan winkels binnen en doen alsof ze iets willen kopen. Als de agent weg is, zullen ze terugkomen om zachtjes mompelend hun handel aan te bieden. Want Havana is een stad van geschreeuw en gefluister. Degene die zich alleen concentreert op het geschreeuw, zal nooit haar gefluister kunnen horen. Het belangrijkste wordt altijd gezegd door een knikje, een gebaar of het opeenpersen van de lippen dat je waarschuwt: “Pas op”, “Daar komt-ie”, “Volg me”, taalgebruik dat ontwikkeld is in decennia van clandestiniteit en illegaliteit.

De Neptunusstraat is al dichtbij. Ik hoor een bejaard echtpaar dat voor een gevel staat zeggen: “Zeg, was hier niet ……?”, maar ik heb het einde van de zin niet kunnen horen. Het is ook maar beter dat Havana nostalgie oproept en een reeks herinneringen. Als je door de stad loopt, is het alsof je over een pad van verloren gegane zaken loopt. Waar een gebouw instort, zie je dagen en wekenlang de puinhopen ervan. Daarna wordt er in het ontstane gat een parkeerplaats aangelegd en plaatst men er een metalen kiosk waar zeep, prullaria en rum wordt verkocht. Veel rum, want dit is een stad die haar verdriet smoort in alcohol.

Ik kom op de Malecón. In minder dan een half uur heb ik dat deel van de stad doorkruist dat me in mijn jeugd de hele stad leek te zijn. Ik was een guajira [bewoonster van het platteland in Cuba, vert.] uit Centro Habana, één van hen die denken dat voorbij de Calle Infanta de “groene zone” begint. Mettertijd ben ik gaan begrijpen dat deze hoofdstad te groot is om haar te kennen. Ook ben ik er achter gekomen dat hetzelfde pijngevoel wordt ervaren door degenen die zijn geboren in de wijken Diez de Octubre, el Cerro, el Vedado of Marianao. Het maakt niet uit, Havana toont haar wonden in iedere wijk.
Ik raak de muur aan die ons scheidt van de zee. Die is ruw en warm. Waar zouden die kleine kinderen zijn die me in mijn kindertijd – in een piepklein dorpje – met zoveel verbazing aankeken omdat ik uit Havana kwam? Zouden zij deze last willen dragen? Zouden ze nu ook in deze stad wonen tussen de vuilnisbakken en de lichten? Doet het hen even zeer als het mij doet? Ik weet zeker van wel, want Havana is toch de woonplaats die in onze ID-kaart staat geschreven. Deze stad is een kruis dat je overal met je meedraagt, een oord dat jou nooit meer loslaat als je er een keer gewoond hebt.

Onze muur is niet gevallen……….. maar hij is niet eeuwig

Muro-BerlA-n-nacimiento-Foto-archivo_CYMIMA20141109_0001_16

Tot aan dat bewuste tijdstip speelde mijn leven zich steeds af tussen muren. Die van de Malecón [lange zeeboulevard in Havana, vert.] die me scheidde van de wereld waarover ik alleen de verschrikkingen had gehoord.Toen Duitsland herenigd werd, was er de muur van de school waar ik lessen volgde. Een lange muur waarachter illegale verkopers van koek en snoep zich verborgen hielden. Op elkaar gestapelde bakstenen, bijna twee meter hoog, waar sommige medeleerlingen overheen sprongen om te ontsnappen aan lessen die even indoctrinerend als saai waren. Tel daar nog bij op de muur van de stilte en van de angst. Thuis legden mijn ouders hun vinger op de lippen, ze praatten zachtjes……. er gebeurde iets, maar ze zeiden me niet wat.

In november 1989 viel de muur in Berlijn. Eigenlijk werd hij afgebroken met pikhouwelen en beitels. Dezelfde mensen die weken daarvoor nog gehoorzaam leken aan de Communistische Partij en die leken te geloven in het arbeidersparadijs gingen hem te lijf. In stukjes en beetjes bereikte het nieuws ons. De Cubaanse overheid probeerde nog de aandacht af te leiden en het belang van de gebeurtenis te bagatelliseren, maar de details sijpelden beetje bij beetje door. In dat jaar werd ik volwassen. Ik was weliswaar nog maar 14 jaar, maar alles wat daarna zou komen, liet me geen ruimte voor argeloosheid.

De maskers vielen, één voor één. De Berlijners werden wakker door het geluid van hamerslagen en de Cubanen ontdekten dat de beloofde toekomst berustte op pure leugens. Terwijl Oost-Europa zich losmaakte uit de lange omhelzing met het Kremlin, liet Fidel Castro zijn kreten de tribune opklimmen en beloofde in naam van allen dat wij het hoofd nooit gingen buigen. Weinigen hadden toen het heldere inzicht dat ze beseften dat dat politieke delirium ons zou veroordelen tot de moeilijkste jaren waarvoor verscheidene generaties Cubanen zouden komen te staan. De muur viel, daar ver weg, terwijl rondom ons heen een nieuwe borstwering werd opgericht, die van de blinde ideologie, de onverantwoordelijkheid en de eigenzinnigheid.

Er is een kwart eeuw voorbijgegaan. Vandaag vieren de Duitsers en de hele planeet het einde van een absurditeit. Zij maken de balans op van wat er bereikt is na die novembermaand en zij genieten van de vrijheid om te kunnen klagen over dat wat niet goed gelukt is. Wij in Cuba, hebben 25 jaar verloren om op de kar van de historie te springen. Voor ons land is de muur nog intact, hoewel op dit moment weinigen een bolwerk stutten dat eerder opgericht is door de gril van een mens dan door besluitvorming van een volk.

Onze muur is niet gevallen…….maar hij is niet eeuwig.