De oude haatcampagne

Misschien weet u het niet – want niet alles wordt verteld in een blog – maar toen ik de eerste haatcampagne in mijn leven zag, was ik nog maar vijf jaar oud. Het tumult op de achterplaats trok de aandacht van de twee meisjes die mijn zus en ik toen waren. We leunden over het hek van de smalle gang om naar de benedenetage te kijken. Mensen stonden te schreeuwen en hieven hun vuist voor de deur van een buurvrouw. Omdat ik nog zo klein was, had ik geen notie van wat er gebeurde. Sterker nog, nu ik er weer aan terugdenk, herinner ik me nauwelijks nog de koude spijlen van het hek waaromheen ik mijn handen geklemd had en heb ik nog maar een vaag beeld van degenen die daar stonden te tieren. Jaren later kon ik die caleidoscoop van kinderherinneringen in elkaar passen en kwam ik erachter dat ik getuige was geweest van ongebreideld geweld tegen mensen die vanuit de haven Mariel wilden emigreren.

Sindsdien heb ik verscheidene haatcampagnes van dichtbij meegemaakt, de ene keer als slachtoffer, de andere keer als toeschouwer of als journalist, maar nooit – dat wil ik wel graag even duidelijk maken – als dader. Ik herinner me één bijzonder heftige haatcampagne die ik meemaakte samen met de Dames in het Wit, waarbij de horden der intolerantie ons bespuugden, duwden en zelfs aan onze haren trokken. Maar wat ik gisteravond beleefde, had ik nog nooit meegemaakt. Het peloton extremisten dat het draaien van de film van Dado Galvao op het Festival van Santana tegenhield was meer dan de optelsom van een stelletje onvoorwaardelijke aanhangers van de Cubaanse regering. Allemaal hadden ze bijvoorbeeld hetzelfde document – in kleurendruk – met een reeks leugens over mijn persoon, die zo ongenuanceerd en in een simpel gesprek heel makkelijk te weerleggen waren. Ze herhaalden een identiek en afgezaagd draaiboek zonder ook maar de minste bereidheid om te luisteren naar het weerwoord dat ik zou kunnen geven. Ze schreeuwden, vielen me in de rede en een ogenblik werden ze geweldadig en braakten een spreekkoor van leuzen uit die zelfs in Cuba niet meer gezegd worden.

Maar met hulp van senator Eduardo Suplicy en doordat ik bij vijandigheden in staat ben mijn kalmte te bewaren, lukte het ons toch om een begin te maken met een dialoog. Om kort te gaan, ze konden alleen maar schreeuwen en als voorgeprogrammeerde automaten steeds dezelfde zinnen herhalen. Dit was wel één van de meest interessante bijeenkomsten. De aderen in hun nek waren opgezwollen, ik lachte alleen maar een beetje. Zij vielen me aan op het persoonlijke vlak, ik bracht de discussie op Cuba, dat altijd belangrijker zal zijn dan deze bescheiden dienares. Ze wilden me lynchen, ik wilde praten. Zij gehoorzaamden bevelen, ik ben een vrije geest. Aan het eind van de avond voelde ik me als na een veldslag tegen de duivels van hetzelfde extremisme dat de haatcampagne in 1980 op Cuba had aangewakkerd. Het verschil is dat ik deze keer het mechanisme kende dat zulk gedrag aanmoedigt. Ik kon de lange arm zien die hen vanaf het Plein van Revolutie in Havanna bestuurt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s