Havana, wat doe je me toch zeer!

Ruïne in Havana (Foto Silvia Corbelle)

Ruïne in Havana (Foto Silvia Corbelle)

Uit Havana komen is niet dat je in een bepaald gebied bent geboren, het betekent dat je dat gebied met je meedraagt, dat je er niet van af kunt. Ik was 7 jaar toen ik voor het eerst besefte dat ik bij deze stad hoorde. Ik was in een klein dorp in Villa Clara en probeerde een tak met een paar guaves eraan te pakken toen een troep kleine kinderen uit die plaats mijn zusje en mij omringden. “Ze komen uit Havana! Ze komen uit Havana!” gilden ze. Op dat moment begrepen we niets van zoveel kabaal, maar mettertijd beseften we dat ons een triest voorrecht ten deel was gevallen. Geboren zijn in een stad in verval, in deze stad, waarvan de grootste aantrekkingskracht is wat ze zou kunnen zijn en niet wat ze is.
Ik ben geheel en al een stadse. Ik ben opgegroeid in een deel van de wijk Cayo Hueso, waarin de dichtstbijzijnde bomen op meer dan 500 meter ver stonden. Ik voel me dochter van het asfalt, van de stank van kerosine, van de druppende waslijnen op de balkons en afvoerpijpen die van tijd tot tijd overlopen. Dit is nooit een makkelijke stad geweest. Zelfs niet op de toeristische ansichtkaarten met hun geretoucheerde kleuren is een Havana te zien dat er rustig en begrijpelijk uitziet.

Soms wil ik er nu niet meer doorheen wandelen want het doet me zeer. Ik loop de Belascoaín straat op en heb de zee met dat briesje dat ik zo goed ken in de rug. Ik kom dan op de kruising met de Calle Reina. Daar staat een kerk in Gotische stijl waarvan ik als klein meisje dacht dat hij reikte tot in de wolken. Daar zag ik voor het eerst een kerstboom toen ik zeventien was. Ik loop verder onder bogen door, een sprongetje links, een sprongetje rechts. Vanaf een paar trappen stroomt water naar beneden en een dame probeert me een paar cremitas de leche [Cubaans toetje van melk en suiker, vert.] die dezelfde kleur hebben als de straat te verkopen.

Ik zie het stoplicht van Galiano al, maar mijn pas wordt langzamer omdat er veel volk loopt. Een politieagent komt de hoek om en sommige mensen verbergen zich achter deuren of gaan winkels binnen en doen alsof ze iets willen kopen. Als de agent weg is, zullen ze terugkomen om zachtjes mompelend hun handel aan te bieden. Want Havana is een stad van geschreeuw en gefluister. Degene die zich alleen concentreert op het geschreeuw, zal nooit haar gefluister kunnen horen. Het belangrijkste wordt altijd gezegd door een knikje, een gebaar of het opeenpersen van de lippen dat je waarschuwt: “Pas op”, “Daar komt-ie”, “Volg me”, taalgebruik dat ontwikkeld is in decennia van clandestiniteit en illegaliteit.

De Neptunusstraat is al dichtbij. Ik hoor een bejaard echtpaar dat voor een gevel staat zeggen: “Zeg, was hier niet ……?”, maar ik heb het einde van de zin niet kunnen horen. Het is ook maar beter dat Havana nostalgie oproept en een reeks herinneringen. Als je door de stad loopt, is het alsof je over een pad van verloren gegane zaken loopt. Waar een gebouw instort, zie je dagen en wekenlang de puinhopen ervan. Daarna wordt er in het ontstane gat een parkeerplaats aangelegd en plaatst men er een metalen kiosk waar zeep, prullaria en rum wordt verkocht. Veel rum, want dit is een stad die haar verdriet smoort in alcohol.

Ik kom op de Malecón. In minder dan een half uur heb ik dat deel van de stad doorkruist dat me in mijn jeugd de hele stad leek te zijn. Ik was een guajira [bewoonster van het platteland in Cuba, vert.] uit Centro Habana, één van hen die denken dat voorbij de Calle Infanta de “groene zone” begint. Mettertijd ben ik gaan begrijpen dat deze hoofdstad te groot is om haar te kennen. Ook ben ik er achter gekomen dat hetzelfde pijngevoel wordt ervaren door degenen die zijn geboren in de wijken Diez de Octubre, el Cerro, el Vedado of Marianao. Het maakt niet uit, Havana toont haar wonden in iedere wijk.
Ik raak de muur aan die ons scheidt van de zee. Die is ruw en warm. Waar zouden die kleine kinderen zijn die me in mijn kindertijd – in een piepklein dorpje – met zoveel verbazing aankeken omdat ik uit Havana kwam? Zouden zij deze last willen dragen? Zouden ze nu ook in deze stad wonen tussen de vuilnisbakken en de lichten? Doet het hen even zeer als het mij doet? Ik weet zeker van wel, want Havana is toch de woonplaats die in onze ID-kaart staat geschreven. Deze stad is een kruis dat je overal met je meedraagt, een oord dat jou nooit meer loslaat als je er een keer gewoond hebt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s